zondag 25 mei 2014

Mijn 3 in 1 blog

Al een tijd lang heb ik, met veel plezier drie blogs, Bij Anne, Bij Anne in de keuken en Bij Anne achterop.

Om alle drie de blogs regelmatig te voorzien van een nieuw en interessant onderwerp vind ik wel eens lastig. Meestal heb ik voor ene blog meer onderwerpen dan voor de andere twee. 

Omdat ik ook graag een beetje regelmaat in mijn publicaties wil hebben, heb besloten om de blogs Bij Anne in de keuken en Bij Anne achterop stilletjes te laten verhuizen naar Bij Anne.

Bij Anne is vanaf dit moment een blog met zeer uiteenlopende onderwerpen. Zoals kunst, architectuur, juwelen, edelstenen, ontwerpers, technieken, boeken, recepten door mij bedacht en uitgeprobeerd, informatie over zaken die te maken hebben met voeding en wat ik tegen kom binnen en buiten de keuken. En niet te vergeten de foto's die ik maak als ik onderweg ben en de daar bij behorende informatie. 

Beste bezoekers van mijn blogs, ik hoop van harte dat jullie met plezier en interesse mijn blog Bij Anne blijven volgen.
Ik zal met veel plezier blijven publiceren.

                  Anne

donderdag 22 mei 2014

Luis Barragán

De architect Luis Barragán (1902-1988) is geboren in Guadalajara, een stad in Mexico. Hij kwam uit een gegoede familie en dat gaf hem de mogelijkheid om techniek te studeren aan de Escula Libre de Ingeniors. Na het behalen van zijn ingenieurstitel ging hij zich bekwamen in de architectuur, hij volgde een opleiding bouwkunde maar maakte zijn studie niet af.
Hij is een autodidact op het gebied van de bouwkunst, maar heeft als architect zijn naam waar gemaakt en internationale erkenning gekregen. Zijn kleurgebruik, het spelen met licht en ruimte hebben hem deze wereldwijde bekendheid gegeven maar vreemd genoeg kom je buiten Mexico geen gebouwen tegen van zijn hand.

Kleur, water en licht.
Zijn niet onbemiddelde familie stelde hem in staat om in 1924 een reis naar Europa te maken. Barragán ging graag op reis, hij wilde ideeën op doen om de architectuur in Mexico te vernieuwen.
In 1925 bezocht hij in Parijs de Exposition des Arts Decoratifs en kwam in aanraking met het werk van de architect en stedenbouwkundige Le Courbusier (1887-1965) en architecte en designer Charlotte Perriand (1903-1999). Hij bestudeerde in Italië de villa's en de tuinen en reisde door naar Spanje waar hij de Generalife in Granada bezocht.

Terug in Mexico ging hij bij het architectenbureau van zijn broer Juan José Barragán werken waar hij eengezinswoningen ontwierp die vrij traditioneel en weinig vernieuwend waren. Deze tijd was voor hem frustrerend en hij ging daarom in 1931 naar New York waar hij de verbannen Mexicaanse muralist Jose Clemente Orosco (1883-1949) ontmoette en ze raakten bevriend.

Kleur, water en licht.
Na drie maanden in New York te zijn geweest ging  Barragán opnieuw een reis maken naar Europa, waar hij niet alleen opnieuw Le Courbusier ontmoette maar ook de landschapsarchitect Ferdinand Bac (1859-1952). Na zijn verblijf in Frankrijk reisde hij door naar verschillende landen in Noord-Afrika, waar hij veel inspiratie op deed.
Kleur, water en licht.
Terug in New York ging hij zijn eigen koers volgen en verwierf daarmee internationale faam. Hij ontwikkelde een totaal eigen stijl, zijn ontwerpen waren een zoektocht naar bouwkunst die zowel traditioneel als modern was, hij wilde een verbinding tussen  architectuur, de stad en het landschap. Omdat hij veel werkt met licht en schaduw en veel kleur gebruikt, wordt hij ook wel eens een kleurenpoëet genoemd. Hij geloofde in de kracht en warmte van materialen en in esthetiek, dit alles met elkaar maakte hem zo uniek dat hij niet te evenaren was als architect. 

Tuin van Luis Barragán
Na nog een paar jaar gewerkt te hebben in Guadalajara vestigde Barragán zich 1935 in Mexico-Stad waar hij zijn verdere leven bleef werken en wonen. Hij ontwierp niet alleen huizen maar ook tuinen, geïnspireerd door Ferdinand Bac, waarbij de Mexicaanse stijl duidelijk zichtbaar bleef. Barragán was ook een groot liefhebber van paarden en hij heeft naast zijn ontwerpen voor woningen en tuinen ook paardenstallen en waterbakken en fonteinen ontworpen.

Torres de Satélite
Vanaf 1940 tot 1945 was Barragán vooral bezig met het ontwerpen van tuinen, waaronder de tuin bij zijn eigen huis aan de Calle Francisco Ramirez.
Na zijn tuinontwerpen werkte hij aan een nieuwbouwplan in El Pedegral, een lavagebied buiten Mexico-Stad. Zijn naam kreeg bekendheid en de opdrachten kwamen binnen.


klooster van Tlalpan
Hij bouwde niet alleen privéhuizen maar ontwierp ook de kapel en het klooster in Tlalpan (Mexico-Stad). Hij heeft hier vier jaar aan gewerkt en hier zie je duidelijk en mooi hoe Barragán werkte met kleur, licht en eenvoud. Op een enorm verkeersknooppunt in Mexico-City zie je Torres de Satélite, een cluster van torens van zijn hand.

Vanaf 1966 had Barragán weinig werk maar na 1975 kwamen er weer opdrachten binnen en kreeg hij internationaal steeds meer bekendheid. In New York in het Museum voor Moderne Kunst, het NoMa, kreeg Barragán in 1980 een tentoonstelling. Als kroon op zijn werk kreeg hij de prestigieuze prijs voor architectuur, de Pritzker Prize.
De Pritzker Prize is de Nobelprijs voor architectuur en wordt alleen uitgereikt aan nog levende architecten. Hij ontving de prijs voor de geheel eigen stijl, die hij had ontwikkeld. Aan deze prijs is een geldbedrag verbonden van 100.000 dollar. De Nederlandse architect Rem Koolhaas won deze prijs in het jaar 2000.

Luis Barragán is overleden op 22 november 1988, in zijn eigen huis in Mexico-City en de volgende dag is hij     overgebracht naar zijn geboorteplaats Guadalajara om daar te worden begraven. 

Er zijn prachtige boeken over het werk van Luis Barragán te koop.
Hij heeft jammer genoeg niet zo heel veel bouwwerken na gelaten maar wat hij heeft gebouwd is zeker de moeite waard, hij bracht met zijn werk verschillende kunstvormen bij elkaar.

Zijn huis en studio in Mexico-Stad staan op de werelderfgoedlijst van de UNESCO.

donderdag 8 mei 2014

Een schat in de kathedraal van Monza

Fresco te zien in de
Kapel van Theodelinde
(1444)
Een ijzeren kroon, votiefkroon, votiefkruis, rijkskruis, miskelken, boekbanden en een hen met zeven kuikens, dat zijn een paar van de voorwerpen die horen bij een schat die te zien is in Italië, in de stad Monza, gelegen in de regio Lombardije.

Deze schat, een indrukwekkende collectie bijzondere voorwerpen, is te vinden in de San Giovanni, de domkerk te Monza en geschonken door Theodelinde (570-628), koningin van Lombardije. Theodelinde, in sommige boeken wordt ze Dietlinde genoemd, was de dochter van de hertog van Beieren en trouwde met Authari de koning van Lombardije. Twee jaar later stierf de koning en Theodelinde werd koningin-regentes. Een jaar na het overlijden van haar echtgenoot trouwde ze met Agilulf van Turijn.

Kathedraal van Monza
De zeer vrome Theodelinde was tientallen jaren bezig om zoveel mogelijk mensen over te halen zich aan te sluiten bij het katholieke geloof, gesteund door paus Gregorius de Grote, zij zag dit als haar levenswerk. Nadat zij haar echtgenoot had bekeerd tot het katholieke geloof, gaf ze opdracht voor het bouwen van kerken in Lombardije en Toscane, waaronder de kathedraal van Monza en het eerste baptisterium in Florence. Ze schonk de domkerk veel kostbare voorwerpen, maar het is niet meer te achterhalen hoe groot de schat ten tijde van Theodelinde is geweest.

Er is één geschreven bron, de Historia Longobardorum van Paolo Diacono, hierin wordt de schat op summiere wijze beschreven. Wel weten we dat het van grote waarde is geweest en dat het verweven was met het Italiaanse koningshuis.
Het is ook zeker dat niet alle voorwerpen bewaard zijn gebleven, in de loop van de eeuwen zijn er regelmatig plunderingen geweest en de kerk kreeg grote aderlatingen opgelegd wat het goud en zilver betreft. Wat er nog over is, is zeker de moeite waard. De schat is in latere eeuwen nog aangevuld met kostbare meubelstukken en erfstukken, vooral goudsmeedwerk.

IJzeren Kroon
Bij de schat hoort de IJzeren Kroon, een Byzantijnse diadeem, deze kroon dateert waarschijnlijk uit de 5de eeuw. Er wordt beweerd dat de binnenring van de kroon, bestaande uit 6 gouden platen (eerst waren er 8), bijeen worden gehouden door een spijker afkomstig van het kruis van Jezus. Iedere plaat bevat edelstenen op een achtergrond van blauw, groen en wit emailleerwerk. Deze ijzeren kroon wordt ook wel Kroon der Longobarden genoemd en wordt gezien als de kroon van Italië.
Hij is, o.a. gedragen door Karel de Grote, Koenraad II, Frederik Barbarossa, Karel IV van Luxemburg, Frederik II van Habsburg, Karel V, Napoleon I en als laatste in 1838 Ferdinand I van Oostenrijk.

Votiefkroon van
Theodelinde
Een andere kroon is de votiefkroon van Theodelinde. Een kunststukje van goud voorzien van edelstenen en parelmoer en langs de randen loopt een snoer van gouden kraaltjes

Ook bijzonder is een kostbare roemer van kobaltblauw geslepen Romeins glas, gevat in goud. Het blauw is zo bijzonder dat er een tijd lang is gedacht het van saffier was gemaakt. Het verhaal gaat dat de koningin er, samen met haar verloofde de toekomstige koning Agilulf, uit heeft gedronken om hun verloving te vieren.
Het is een zeldzaam stuk uit de tijd van Augustus.

Hen met kuikens
Van een geheel andere orde is een raadselachtig voorwerp, De hen met de zeven kuikens. De hen is van gebosseleerd, gedreven en verguld zilver. De goudsmid heeft de anatomische details en de veren zeer realistisch weergegeven en het is dan ook een lust voor het oog.
Over de betekenis van dit kunstwerkje zijn verschillende verhalen in de omloop. Eén van de verhalen is dat dat de hen de koningin van Lombardije is en dat de kuikens de Lombardische hertogen zijn. Een ander verhaal is dat de hen de kerk is en de kuikens de gelovigen.

Er is nog veel meer moois te zien, ga je op vakantie naar Italië, probeer Monza te bezoeken en geniet van de mooie stad met zijn prachtige kathedraal.
En vanzelfsprekend bezoek je dan de schatkamer waar je de
 "De Schat van Monza" kunt bewonderen.

maandag 21 april 2014

Herstory of Art

Elk jaar voor mijn verjaardag, krijg ik de vraag "Wat wil je hebben?" Ik heb meestal wel een lijstje met wat hebbedingetjes en er staan altijd wel een paar boeken op die ik graag in mijn bezit wil hebben. Dit jaar was één van de boeken op mijn lijstje "Herstory of Art" van Karin Haanappel.

Bij mijn speurwerk naar vrouwelijke kunstenaars kwam ik het boek van Karin Haanappel tegen.
Zij vraagt zich af waar zijn de vrouwelijke kunstenaars? Waar is Her Story? Het is altijd His Story geweest,

Vrouwen worden nauwelijks genoemd, wel uitgebeeld, in de vele kunsthistorische boeken die er zijn. Worden ze wel genoemd dan is het terloops, in de schaduw of in één adem met een man, een kunstenaar. Een goed voorbeeld hiervan is Camille Claudel (1864-1943), zij was een  leerling van Auguste Rodin (1840-1917), zijn muze en geliefde. Zij was een getalenteerde kunstenares en deed beslist niet onder voor Rodin maar werd toch door hem overschaduwd. In de ogen van veel mensen was zij zelfs beter.

Musée 'd Orsay
Ik heb haar beeldhouwwerken gezien in het Musée 'd Orsay en Musée Rodin in Parijs en was er behoorlijk van onder de indruk. Vanzelfsprekend heb ik gelijk weer het boek uit de kast gehaald met de titel Camille Claudel een vrouw geschreven door Anne Delbée. Ik heb het boek in één adem herlezen en was opnieuw verbijsterd hoe het leven van deze vrouw is verlopen. En hoe het toch mogelijk is dat een vrouw met haar talent niet de erkenning heeft gekregen zoals haar mannelijke collega's dat wel kregen.

Karin Haanappel vroeg zich jaren geleden al af waarom vrouwelijke kunstenaars niet worden genoemd in de boeken naast de mannelijke kunstenaars. Waar is de gelijkwaardigheid? Zij ging het onderzoeken en na jaren studie en onderzoek resulteerde dat in een prachtig boek met de titel "Herstory of Art".
Je wordt in dit boek meegenomen, ik zou zeggen op een eeuwenlange reis, te beginnen in de Steentijd, tot een tijd nog niet zo lang geleden. Je maakt kennis met de kunstwerken en de kunstenaressen door de eeuwen heen, en je zult met Karin Haanappel ontdekken dat vrouwen altijd al grote kunstenaressen zijn geweest.

De auteur beschrijft de kunstenaressen en hun kunst in de Paleolitische, Neolitische, Preklassieke periode, de Klassieke Oudheid, de Middeleeuwen, de Renaissance en de Nieuwe Tijd. Het is een goed leesbaar boek, geeft veel informatie en er staan mooie foto's in. Je nieuwsgierigheid wordt gewekt, je wilt steeds meer weten over deze groep kunstenaars, de vrouwen.

Karin Haanappel heeft Algemene letteren en kunstgeschiedenis gestudeerd aan de universiteit van Utrecht. Ze is in beide studierichtingen afgestudeerd en haar eindscriptie ging over Camille Claudel. Vanaf 1996 heeft Karin Haanappel een eigen onderneming Haanappel Art International, een bureau voor Cultuureducatie en ze geeft al meer dan 15 jaar de kunst-en cultuurgeschiedenis een plaats in binnen- en buitenland.

Van Karin Haanappel verscheen in 2010 het boek Het Parijs van Isis en ze is bezig met het schrijven van een boek over het leven en oeuvre van Camille Claudel, ook  komt er een vervolg op Herstory Art, nl Herstory of Modern Art. Ik kijk er naar uit.

Wil je meer weten over Karin Haanappel en haar werk kijk dan HIER

zaterdag 12 april 2014

Andrea Palladio

Andrea Palladio
Andrea Palladio (1508 - 1580) werd geboren in Italië onder de naam Andrea di Pietro della Giondola, hij was een  invloedrijke architect uit de late Renaissance. We kennen hem vooral van de villa's die hij bouwde voor de rijken en edelen in en rond Venetië.

Palladio werd geboren in Padua en was de zoon van een molenaar. Op zijn 13e kwam hij bij een steenhouwer in de leer, hij had talent en inzicht in het werk, maar kon bij de steenhouwer, waar hij inmiddels 5 jaar werkte, zijn draai niet vinden en wilde graag weg. Dat kon niet omdat hij een 6-jarig contract had waar hij niet onderuit kon. Hij besloot om de stad uit te vluchten om zo onder dat contract uit te komen. Hij ging naar Vicenza, werd weer terug gestuurd naar Padua om zijn contract na te komen. Een jaar later, na het beëindigen van zijn contract ging hij terug naar Vicenza en kwam in dienst bij de gilden van steenhouwers en metselaars, ook hier werden zijn kwaliteiten al snel opgemerkt.

Gian Giorgio Trissino

In Vicenza woonde de edelman Gian Giorgio Trissino (1478 - 1550), hij kwam in aanraking met Palladio en was onder de indruk van de kennis en de kwaliteiten die hij had op het gebied van de architectuur. Trissino was ook degene die hem de naam Palladio gaf, een verwijzing naar Pallas Athene de godin van de wijsheid.

Trissino introduceerde hem bij de rijken en de adel in de regio, met het gevolg dat Palladio op hun kosten een studiereis kon maken naar oude steden waaronder Rome. Daar bestudeerde hij de oude ruïnes en werd geïnspireerd door het werk van Leon Battista Alberti (1404 -1472) en Donato Bramante (1444 -1514). Ook bestudeerde hij de architectuur en de geschriften van Vitruvius (o.a. architect 85 - 20 v. Chr.) en bij zijn ontwerpen maakte hij gebruik van de maatgeving en de regels opgesteld door Vitruvius. Hij noemde hem zijn enige leermeester. In die tijd publiceerde hij twee boekjes waar hij zijn ideeën in beschreef.
Terug in Vicenza kreeg hij de opdracht om een nieuwe façade te ontwerpen voor het stadhuis. In datzelfde jaar was hij betrokken bij het ontwerp van Palazzo della Ragione.

In de 16e eeuw ging het met de handel in Venetië minder goed en de rijke Venetianen gingen investeren in de vruchtbare landbouwgebieden die waren ontstaan in de drooggelegde gebieden ten noorden van Venetië. Palladio maakte gebruik van de situatie door villa's te ontwerpen die de sociale status van de eigenaren goed weer gaven. Zijn ontwerpen waren strak en symmetrisch van opbouw, hij vond dat een villa goed in zijn omgeving moest passen, hij plaatste daarom het woongedeelte van een villa altijd met uitzicht op het landschap.

Zijn bouwkunst is rustig en streng, zijn ontwerpen zien er aan de buitenkant imponerend uit en aan de binnenkant tref je harmonieuze woonvertrekken aan. Palladio combineerde schoonheid met functionaliteit.

In 1570 komen er vier boeken van hem uit onder de titel "I qattro libri dell 'architettura", waarin hij zijn ideeën en werkwijze uiteenzet.
Deze boeken waren niet alleen belangrijk voor de architecten van die tijd  maar ook veel architecten in verschillende Europese landen waaronder Nederland, die na hem kwamen, gebruikten zijn boeken. Er is zelfs een architectuurstroming naar hem vernoemd, het Palladianisme.

Engeland was het eerste land dat bouwde in de stijl van Palladio. Voorbeelden hiervan zijn St.Paul's Cathedral in Londen van de architect en wetenschapper Christopher Wren (1632-1723).

Chiswick House
Wren is begraven in de St. Paul's Cathedral en op zijn grafsteen staat: "Lector, si monumentum requiris" ("Lezer, als u zijn monument zoekt, kijk dan om u heen"). 
Ook geïnspireerd door het Palladianisme
was de  architect William Kent (1685-1748). Van hem kennen we o.a.Chiswick
House. Kent was niet alleen architect maar ook een belangrijk landschapsarchitect en meubelontwerper.

Terug naar Palladio, van hem zie je vooral in Vicenza veel bouwwerken, vooral villa's bv. villa Rotonda. Deze villa is gebouwd in 1556 in opdracht van de pauselijke hoogwaardigheidsbekleder Paolo Almerico. Almerico was geboren in Vicenza en wilde er gaan wonen nadat hij zich had teruggetrokken uit het pauselijke ambt. De villa is ook bekend onder de naam Villa Almerico, Villa Capra, La Rotonda en Villa Rotunda. Villa Rotonda is de meest gebruikte en ook bekende naam van dit bouwwerk. 

Het is architectonisch een meesterwerk, het is gebouwd op een heuveltop met uitzicht op de dalen. De villa kun je zien als een eerbetoon aan het landschap. Zelfs Goethe (1749-1832), van wie bekend is dat hij niet dweepziek was, maar na een bezoek aan de villa zei: "Misschien heeft de bouwkunst nooit meer zulk een hoogtepunt en weelde bereikt".

Villa Rotonda
De buitenkant doet denken aan een Griekse tempel, het is volledig symetrisch, aan alle kanten bordessen en door deze bouwstijl zien de voor- achter- en zijkant er gelijk uit, ze zijn niet van elkaar te onderscheiden.
Het gebouw heeft de vorm van een Grieks kruis en de façades, die op tempels lijken,  zijn voorzien van Ionische zuilen.
Op het gebouw is een koepel geplaatst, naar voorbeeld van het Pantheon. Het was de bedoeling om de koepel open te laten om het regenwater op te vangen maar daar is om praktische reden toch van afgezien. Aan de binnenkant van de koepel zijn fresco's te zien van Anselmo Canera en Allessandro Manganza. Op de gevels en de balustraden zie je standbeelden van Agostino Rubini, Albanese en Lorenzo.

De zoon van Almerico heeft de villa later verkocht en de nieuwe eigenaar heeft het ingrijpend laten veranderen.
Villa Rotonda is nu in zijn oorspronkelijke staat teruggebracht door een rijke Venetiaans familie. Sinds 1994 staat de villa bij de Unesco op de Wereld-erfgoedlijst.

Teatro Olimpico
In de loop der tijd zijn er veel van Palladio's villa's in verval geraakt of kregen een andere bestemming, b.v. iemand kreeg het idee om er een lampenwinkel in te vestigen en ook zijn er villa's gebruikt als wijnboerderij en veel villa's zijn gewoon dichtgetimmerd.
Momenteel zijn er veel van deze villa's in handen van de overheid en worden gerestaureerd, maar geld is een groot probleem. Het is zo dat er alleen al in deze regio ongeveer 4000 villa's moeten worden onderhouden van een budget van een paar miljoen euro per jaar. 

De villa's van Palladio zijn niet alleen te vinden in Vicenza maar ook bv in Venetië, Verona, Udine, Maser en Bologna.

Andere hoogtepunten uit het werk van Palladio zijn o.a. het Teatro Olimpico, gebouwd in 1585 in Vicenza, het eerste theater dat werd gebouwd sinds de Klassieke Oudheid, de San Giorgio Maggiore in1566 in Venetië, de renovatie van de Bassilica Palladiano in Vicenza in 1549, het is teveel om op te noemen.
Er zijn prachtige boeken over het werk van Palladio verkrijgbaar en in de bibliotheek kun je vast ook wel iets vinden.

Leuk om te weten: Villa Rotonda is in 1979 gebruikt bij de verfilming van De opera Don Giovanni van Mozart door Amerikaanse filmregisseur Joseph Losey (1909-1984).

zondag 16 februari 2014

Mark Rothko (4)

Rothkokapel
De kunstverzamelaars John en Dominique Menil vroegen Rothko om een serie schilderijen te maken voor de kapel die ze wilden laten bouwen voor de St. Thomas Catholic University in Houston, Menil was aan deze universiteit hoofd van de afdeling Beeldende Kunst. Zij waren onder de indruk van de Seagram-werken en de Harvardschilderijen. 
Rothko was verguld met deze opdracht, hij zag hierin de mogelijkheid om zijn grenzen te verleggen, meer dan hij ooit voor mogelijk had gehouden. Hij begon aan deze opdracht in 1966, er werd een flink geldbedrag voor neergeteld, Rothko ontving er 250.000 dollar voor.

De muurschilderingen werden extra groot en hij gebruikte donkere kleuren. Omdat zijn gezondheid hem parten speelde kon hij niet alles zelf doen en werkte met enkele assistenten. In 1967 had hij 3 drieluiken, 14 schilderijen, veel schetsen en studies klaar. Alles werd opgeslagen tot het moment dat de kapel afgebouwd en in gebruik werd genomen.

Rothkozaal in de kapel
Rothko ging verder met experimenteren, vooral donkere kleuren. Velen zien in deze schilderijen de zware depressies, de eenzaamheid en de melancholie die hij de laatste tijd sterk voelde. Het leek alsof de kunstenaar zich had teruggetrokken uit het leven. Toch heeft hij in de laatste paar maanden van zijn leven ook nog grote werken in pasteltinten gemaakt.

In 1966 gingen Rothko met zijn vrouw voor de derde keer naar Europa. In Engeland brachten ze een bezoek aan de Tate Galery. De directeur, Sir Norman Reid, wilde graag een vaste Rothko-zaal in zijn galery. Er was al regelmatig contact geweest tussen de kunstenaar en de Tate maar door misverstanden en het niet kunnen beslissen van Rothko heeft het enkele jaren geduurd voor ze tot overeenstemming kwamen, uiteindelijk schonk Rothko enkele Seagram Murals.
Het duurde nog tot 1970 voor het werk van Rothko naar Londen ging, er hangen negen Seagram Murals in een vaste opstelling in een zaal van de Tate Galery.
De schilderijen arriveerden in Londen op de dag van zijn overlijden.

Bij terugkomst in Amerika werd Rothko docent aan de University of California in Berkely. Zijn gezondheid ging nog verder achteruit en hij moest met spoed worden opgenomen in het ziekenhuis, er werd een verwijding van de aorta en een te hoge bloeddruk geconstateerd. De artsen adviseerden hem te stoppen met roken en minder alcohol te drinken.

Door het werken aan de schilderijen voor de Houston-kapel, zijn ziekenhuisopname, het vele drinken en roken, was hij volledig opgebrand, ook ging het met zijn huwelijk bergafwaarts. Er volgde een echtscheiding en Rothko ging wonen in zijn atelier. Zijn gezondheid bleef slecht en hij was nu helemaal niet meer in staat om grote schilderijen maken, hij begon op klein formaat papier te werken met acrylverf.

 1969-1970
203.8 x 175.6 cm.
Guggenheim Museum (N.Y.)
Met zijn gezondheid ging het slechter en slechter, hij was gedeprimeerd, raakte verward, werd achterdochtig en steeds eenzamer. Hij dronk nog steeds veel en was regelmatig onder invloed, ook gebruikte hij buitensporig veel medicijnen. Dit alles maakte zijn leven niet aangenamer.

In deze periode wilde hij zijn werk gaan verkopen vanuit zijn atelier, hij vond dat hij de galerie niet meer nodig had. Hij kon zich best veroorloven om minder werk te verkopen, hij had goed verkocht.
Rothko begon in die tijd meer te steunen op zijn adviseur en vriend Reis, hij hielp Rothko bij het oprichten van de Mark Rothko Foundation. Rothko wilde dat zijn schilderijen na zijn dood een goede en veilige plek kregen en hij wilde absoluut niet dat zijn werk bij de kunsthandel terecht zou komen.

In 1970 ziet Rothko het leven niet meer zitten en pleegt zelfmoord in de badkamer van zijn atelier. Hij wordt gevonden door zijn assistent.
Rothko is 66 jaar geworden.
grafsteen Mark Rothko
De Rothko Kapel werd een jaar na zijn dood ingewijd.

Je kunt het werk van Mark Rothko verdelen in vier perioden.
  • het realisme 1924 - 1940
  • het surrealisme 1940 - 1946
  • de overgangsjaren 1946 - 1949
  • het klassieke werk 1949 - 1970

Oranje, rood en geel
1961
De schilderijen van Mark Rothko zijn veel geld waard, nog niet zo lang geleden is bij Christie's in New York het schilderij "Oranje, rood en geel" voor 86.9 miljoen dollar verkocht, omgerekend in euro's is dat bijna 67 miljoen.

Ik heb nog wel een muur vrij voor een "Rothko", maar geen miljoenen euro's op de bank.

Bovenstaande is maar een fractie van de "mens" Rothko en zijn kunst, er is veel meer te vertellen over deze man z'n leven, zijn werk en zijn tentoonstellingen.
Hopelijk heb ik je belangstelling kunnen wekken om het werk van deze kunstenaar te gaan bekijken in het Gemeente Museum in Den Haag.

woensdag 12 februari 2014

Mark Rothko (3)

Mark Rothko aan het werk.
Vanaf 1959 begon Rothko te werken met donkere kleuren, vooral bruin, grijs, zwart en donkerblauw. Zijn werk ziet er geheimzinnig, somber en minder toegankelijk uit. 

In diezelfde periode kreeg hij een grote opdracht om
muurschilderingen te maken voor het Seagram-gebouw, eigendom van de drankfabrikant Seagram & Sons, op Park Avenue. De schilderijen zouden komen te hangen in een exclusief restaurant voor topmanagers. Deze opdracht hield in dat hij een serie schilderijen moest ontwerpen, hij nam de opdracht aan en werkte er een jaar aan.

Het werk dat hij maakte paste precies bij de zaal waarvoor ze waren bestemd, de grote kleurvlakken leken op muren, ramen, deuren en zuilen. De muren waaraan de schilderijen zouden komen te hangen waren lang gerekt en om de stukken te kunnen zien moesten ze, volgens de opdrachtgever, boven de hoofden van de gasten hangen. Rothko had daar een geheel andere mening over, hij wilde zijn schilderijen vlak boven de vloer hangen om ze tot hun recht te laten komen.

Seagram Murals 1958, Later aangekocht door het
 Herdenkingsmuseum voor Beeldende Kunst in Japan
De opdrachtgever en de kunstenaar konden hun ideeën niet op een lijn krijgen, ze kwamen er niet uit en om alles even te laten bezinken, gingen Rothko en zijn vrouw hun 2e reis naar Europa maken. Tijdens deze reis ontmoette hij de uitgever van het tijdschrift Harpers Bazar en vertelde aan hem dat hij voor Seagram iets moest schilderen dat de eetlust van de mensen zou bederven. Hij zei: "Als het restaurant mijn schilderijen weigert, zal ik dat als een groot compliment opvatten, tegenwoordig vinden mensen alles goed".

Bij terugkomst in Amerika gingen Rothko en zijn vrouw eten in het restaurant van het Seagramgebouw, waar de schilderijen zouden komen te hangen. Als ze daar zijn besluit hij ter plekke om een punt achter de opdracht te zetten. Het teruggeven van de opdracht kost hem 7000 dollar maar dat was voor hem niet belangrijk. Hij verdiende inmiddels genoeg om het voorschot terug te kunnen betalen aan de opdrachtgever.

Tate Modern in Londen
Rothko had al wel enkele schilderijen klaar en daar hangen er nu negen van in de Tate Gallery in Londen. Een bij elkaar horende groep hangt in het Kawamura Herdenkingsmuseum in Japan en ook de National Gallery of Art in Washington heeft er een paar gekocht. De rest is in het bezit van de erfgenamen van Rothko.

Rothko was inmiddels een gewild kunstenaar, steeds meer musea en particulieren kochten zijn werk en verzamelaars stonden in de rij. De prijzen stegen mee en in 1960 betaalde men gemakkelijk 40.000 dollar voor een "Rothko".
Ondertussen gingen de schilderijen op reis naar Parijs, Bazel, Brusse, Rome, Londen en Amsterdam. Bij terugkomst werden de schilderijen in verschillende Amerikaanse musea tentoongesteld.

In de jaren 60 kwam er verandering in de kunstwereld, er stond een andere generatie kunstenaars op zoals Roy Liechtenstein, Andy Warhol, James Rosenquist en Tom Wesselman. Deze kunstenaars begonnen de abstracte kunst, de naoorlogse stroming, elitair en hautain te vinden. Rothko noemde op zijn beurt deze kunstenaars charlatans en opportunisten. Rothko en zijn tijdgenoten bezochten de tentoonstellingen van deze nieuwe kunstenaars maar verlieten daarna woedend de galerie. Rothko vroeg zich af of dit misschien een samenzwering was van de jonge garde om hun allemaal te vermoorden.

Dan krijgt Rothko een aanbieding van het Harvard Holyhoke Center om voor het penthouse daar schilderijen te maken geheel naar zijn eigen inzicht. Dit was wat Rothko graag wilde, zelf de regie voeren over zijn kunst. Voordat de schilderijen in het penthouse kwamen te hangen werden ze eerst nog tentoongesteld in het Guggenheim Museum. Vanzelfsprekend bemoeide hij zich ook nu weer met het ophangen van de schilderijen. Achteraf was hij toch minder te spreken over het resultaat, het zonlicht verzwakte de diepe rode kleur op zijn schilderijen en na 15 jaar werd besloten de kunstwerken in een donkere kamer te bewaren, ze zijn nu alleen nog te zien op dia's. 

 1959.
Whitney Museum of American Art (N.Y.)
In 1960 kreeg  Rothko van zijn belastingadviseur het advies om een contract af te sluiten met de eigenaar van de Malborough Gallery in New York. Deze galerie zou de exclusieve rechten krijgen om het werk van Rothko in het buitenland te verkopen. Rothko zou zelf de verkoop in de VS in handen houden. 
Het leek een goed plan maar na de dood van de kunstenaar bleek het één van de grootste kunstschandalen te zijn. Hier was hebzucht, fraude, bedrog, dubbele verkoop de oorzaak van het schandaal. 
De belangenbehartiger werkte zowel voor de Malborough Galery als voor Rothko. Dat ging dus goed mis.

(wordt vervolgd)

vrijdag 7 februari 2014

Mark Rothko (2)

zelfportret 
Markus Rothkowitz besloot naar New York te gaan en had er allerlei baantjes. Hij kwam in aanraking met de schilderkunst tijdens een bezoek aan een vriend in de Art Students Leage. Hij was behoorlijk onder de indruk van wat hij daar zag en schreef zich in bij de ASL voor de lessen anatomie en tekenen. Ook ging hij lessen
reclametekenen volgen aan de New York School of Design waar hij zich toelegde op het schilderen van stillevens. Regelmatig bezocht hij tentoonstellingen en musea en had grote bewondering voor de Duitse impressionisten, vooral het werk van Paul Klee (1879-1940) had zijn belangstelling.
Paul Klee

Rothko moest in zijn eigen onderhoud voorzien, hij had geen beurs meer, en begon in 1929 les te geven aan de Jewish Center Academy in Brooklyn, wat hij bleef doen tot 1952.
In 1932 trouwde hij met de sieradenontwerpster Edith Sachar. Erg goed ging het niet met het echtpaar, ze kregen al gauw financiële problemen omdat hun levensstijl en hun inkomsten niet in overeenstemming waren met elkaar.

Met de kunst ging het de goede kant op en Rothko kreeg zijn eerste solotentoonstelling in 1933 in het Portland Museum. De kritieken waren lovend, vooral zijn aquarellen vielen in de smaak.
Rothko was wars van regels en sprak vaak over artistieke vrijheid. Hij verzette zich als kind al tegen voorschriften en regels, hij heeft dat van huis uit meegekregen. Toen het gezin Rothkowitz zich in Amerika thuis begon te voelen, en het financieel beter kregen, raakten ze maatschappelijk betrokken en werden aangetrokken door radicale bewegingen. De jonge Markus Rothkowitz maakte zich sterk voor vrije verstrekking van voorbehoedsmiddelen en het stakingsrecht van arbeiders. Als volwassen kunstenaar zette hij zich in voor de kunstenaarsvakbond (Arts Union). Dit alles heeft invloed gehad op zijn werk.

 zonder titel 1948
olieverf op doek 127.6 x 109.09 cm
Met de kunstenaars Joseph Salomon, Nahum Tshacbasov, Ilya Botovsky, Ben Zion, Louis Harris, Adolph Gottlieb, Jack Kufuld en Louis Schanker richtte hij een avant-gardegroep (experimenten met nieuwe vormen) op onder de naam "The Ten". Het was een groep van negen vaste leden en de tiende plaats werd ingenomen door wisselende kunstenaars.

"The Ten" wilde zich niet verbinden aan een galerie, ze wilden zelf tentoonstellingen organiseren. Dat is gelukt en in 1936 hadden ze een expositie in Parijs, in Galerie Bonaparte. Toch kwam niet de "grote" erkenning die ze voor ogen hadden, na 8 exposities in 4 jaar kwam er een einde aan de samenwerking.

Met enkele leden van "The Ten" ging Rothko werken voor het Traesery Relief Art Project (TRAP). Dat was een bureau die bijstand verleende door werk om zo  "De Depressie" (crisis in de jaren 30 van de 20e eeuw) tegen te gaan. Kunstenaars werkten ongeveer 15 uur per dag om overheidsgebouwen op te knappen. Naast leden van "The Ten" werkten ook Jackson Pollock, Willem de Kooning, Arshile Gorky en Ad Reinhardt hieraan mee.

metro
Na deze periode kreeg Rothko 2 tentoonstellingen in het Museum of Modern Art in New York. Naast zijn werk was er ook werk van Giorgio de Chirico (1888 - 1978) tentoongesteld, zijn kunst heeft Rothko sterk beïnvloedt. Hij begon daarna stadsgezichten, metro- en straattaferelen te schilderen. Met zijn metroschilderijen drukte hij zijn eigen leven uit, het leven van een buitenstaander, een immigrant.
Veel uit zijn leven zie je er in terug, zijn depressiviteit en zijn melancholie.

Op 21 februari 1938 kreeg Markus Rothkowitz zijn Amerikaan staatsburgerschap en vanaf 1940  noemt zich Mark Rothko.
Barnet Newman  1967
(Who's afraid of Red, Yellow and BLue) 
Veel Amerikaanse joden veranderden hun naam zodat het minder joods klonk.
Tijdens de oorlogsjaren veranderde het werk van Rothko helemaal. Er werden felle discussies gevoerd tussen hem en Barnet Newman (1905 - 1970) over welke weg ze als kunstenaars moesten inslaan.
Rothko begon aan een serie schilderijen geïnspireerd door de Griekse mythologie. Hij las veel over klassieke Griekse filosofen en ook Freud en Jung hadden zijn belangstelling. Deze mythologische schilderijen werden tentoongesteld in 1942 bij Macy's, een warenhuis in New York.

Rothko zijn huwelijk liep in 1943 uit op een scheiding met het gevolg dat hij depressief werd en voor zijn herstel een tijd naar zijn familie in Portland vertrok. Na verloop van tijd ging hij terug naar new York en kwam in contact met Peggy Guggenheim (1898 - 1979), zij was de beschermvrouw van de kunsten en een groot verzamelaar van kunst. Peggy Guggenheim was eveneens van joodse afkomst, zij vluchtte uit Duitsland samen met de kunstenaar Max Ernst (1891 - 1976) naar New York.

Het begon in die tijd iets beter te gaan met zijn gezondheid, hij werd verliefd op de 23-jarige Mary Alice Beistle, ( illustrator van kinderboeken). Ze trouwden en kregen twee kinderen, Kate (1950) en Christopher (1963).
Ondertussen kwamen er verschillende tentoonstellingen met wisselend succes, maar in 1946 komt de grote doorbraak. Musea voor Beeldende Kunst in San Francisco en San Diego organiseerden tentoonstellingen van zijn werk. Het gezin verhuisde daarom naar de westkust en Rothko ging lesgeven aan de California School of Fine Art.

multiform
Dan komt er weer een omslagpunt in zijn werk, hij begint aan schilderijen met grote kleurvlakken, Deze schilderijen werden multiforms, later colourfieldpaintings genoemd . Dit werk  moet je zien als een overgang naar zijn klassieke abstracte schilderijen. De term colourfieldpaintings heeft Rothko zelf nooit gebruikt, deze term werd na zijn dood pas gangbaar. Met deze vorm liet hij zijn eerdere thema's los zoals zijn landschappen, menselijke figuren, mythen en symbolisme, ten gunste van een beeldtaal van mindere vormen. Zijn stijl werd herkenbaar en steeds eenvoudiger. Hij schilderde geordende vlakken, een groen vlak voor de weiden, daarachter een grijs vlak voor de bergen en daarboven een blauw vlak voor de lucht. Rothko heeft met deze schilderijen het idee dat hij eindelijk geslaagd is in zijn kunst. Hij houdt geen rekening meer met wat wel en niet hoort, wat mooi en lelijk is, het doet er niet meer toe wat anderen van zijn werk denken.

Het duurde twee jaar voor dit zijn definitieve stijl werd en in 1949 had hij met dit werk een tentoonstelling in de galerie van Betty Parsons (kunstverzamel- en kunsthandelaar). Met deze nieuwe stijl was hij ook op groot formaat gaan schilderen, de kleurblokken zijn los van de rand en lijken bijna te zweven voor een achtergrond die niet bekend is. Ook gaf hij zijn schilderijen geen titels en lijsten, alleen nummers en datums.

Tussen 1945 en 1956 werkte Rothko alleen met olieverf op doeken die soms meer dan 3 meter hoog waren. Hij gebruikte alle kleuren, wel had hij in een bepaalde periode een voorkeur voor een bepaalde kleur, bv. midden jaren 50 gebruikte hij felle kleuren, die hij zelf mengde.

Museum of Modern Art
Manhattan New York
Rothko en zijn vrouw gingen op reis naar Europa en bezochten musea en verschillende tentoonstellingen, hij deed ideeën op en legde contact met mensen uit de kunstwereld. 
Niet alleen Rothko was even weg uit Amerika ook zijn schilderijen gingen de grens over. Er waren tentoonstellingen in Berlijn, Amsterdam, Tokio en Saõ Paulo. In het buitenland kreeg hij meer waardering dan in Amerika. Het duurde tot 1952, na een tentoonstelling in het Museum of Modern Art, dat de kunst van Rothko en zijn collega's werd geaccepteerd in eigen land. Vanaf die tijd was de kunst die op dat moment werd gemaakt de heersende trend in de Amerikaanse schilderkunst.

Ik heb al gezegd dat Rothko niet een gemakkelijk mens was om mee te werken, hij stond niet altijd op goede voet met de conservatoren van verschillende musea. Hij wilde zelf zijn schilderijen ophangen en zijn ideeën en die van de conservatoren kwamen vaak niet overeen. Toch ging het met zijn werk goed, musea en galerieën begonnen zijn werk te kopen. Door het blijven lesgeven en de verkoop van zijn schilderijen kreeg hij meer financiële armslag. In 1954 kocht het Art Institute van Chicago een schilderij van hem voor 4000 dollar.

 Nocturnal drama 1945
gouache 55.09 x 40.3 cm
Ondanks alle waardering voelde hij zich regelmatig ondergewaardeerd en had het idee dat zijn werk niet werd begrepen. Hij wilde namelijk niet dat mensen zijn werk gingen interpreteren. Volgens de kunstenaar hadden de vormen een eigen leven, voorbij het stoffelijke en de grenzen.
Hij zei: "Mijn kunst is niet abstract, zij leeft en ademt" en "Stilte is zo precies, toevoeging van woorden zou de geest alleen maar verlammen".


(wordt vervolgd)

vrijdag 31 januari 2014

Mark Rothko (1)

In het Gemeentemuseum in Den Haag is dit najaar een overzichtstentoonstelling van de kunstenaar Mark Rothko (1903-1970). Deze tentoonstelling komt tot stand in samenwerking met de National Gallery of Art in Washington waar ze honderden werken van hem in depot hebben.

Rothko vertegenwoordigt het abstract expressionisme en is vooral bekend door zijn grote schilderijen met enorme kleurvlakken. Als je voor zijn werk staat wordt je als het ware in het schilderij getrokken, het is op dat moment alleen jij en het schilderij. Rothko zegt dat je zijn
White, Red and Yellow 1958
242.2 x 206.7 cm.
werk moet bekijken van een halve meter afstand en dat er niets tussen de bezoeker en het schilderij mag staan.
Hij hield zich tijdens het schilderen vooral bezig met wat de toeschouwer zou ervaren. De meeste mensen die zijn werk zien ervaren het schilderij zoals Rothko het bedoelde.

Rothko is een Amerikaanse schilder, die samen met zijn tijdgenoten een totale ommekeer teweegbracht in de abstracte schilderkunst. Hij maakte een grote ontwikkeling door van het figuratieve- naar de abstracte kunst.

Maar wie was Mark Rothko eigenlijk? Over Rothko zijn veel  boeken en artikelen geschreven, ik zal proberen om een beeld te schetsen van deze bijzondere kunstenaar.

Letland
Mark Rothko werd geboren als Markus Rothkowitz in het stadje Dvinsk in het Russische Rijk, tegenwoordig heet de stad Daugavpils en ligt in Letland. Hij was de jongste zoon in het gezin, en had nog twee oudere broers en een zus. Dvinsk was een stadje met 90.000 inwoners waarvan meer dan de helft joods was. De joodse mensen waren vooral werkzaam in de handel, ze mochten namelijk geen land bezitten. De vader van Markus was apotheker, een intellectueel die zijn kinderen naar een openbare school liet gaan. Vader Rothko hield zich vooral bezig met politiek, religie had minder zijn interesse. Daar kwam verandering in na de Russische pogroms.
De inwoners van Dvinsk  hadden het wat dat betreft redelijk rustig maar de geheime politie van de tsaar en de sfeer in de stad maakten het leven er niet aangenamer. 

(straatscene)  1937 olieverf op doek
73.5 x 101.4 cm.
De angst voor de pogroms, en de moordpartijen elders hadden grote invloed op de bewoners. In die periode zocht vader Rothkowitz steun bij zijn religie en in die sfeer groeide de jonge Marko op. Later zegt Rothko dat hij in zijn jeugd dingen heeft gezien die hem hebben beïnvloed bij het maken van zijn schilderijen, zoals de grote kuilen in het bos waar de kozakken hun joodse slachtoffers ingooiden. Hij kan dat niet hebben gezien omdat er in die tijd geen massagraven waren in Dvinsk. Waarschijnlijk heeft hij er veel over gehoord en kwam het later in zijn herinnering naar boven, aangevuld met zijn eigen beelden van het gebeurde.

zonder titel (metro)1937
olieverf op doek 51.1 x 76.2cm.
In 1910 besloot vader Rothkowitz  om naar Amerika te gaan, zijn apotheek ging minder goed en hij was bang dat zijn zoons opgeroepen zouden worden om te dienen in het leger van de tsaar. Er woonden al een paar broers van hem in Portland (Amerika) en hij besloot vooruit te reizen en zijn gezin later te laten over komen. 

Het duurde nog tot 1913 voor Markus en zijn moeder aankwamen in Amerika, de andere kinderen waren al eerder vertrokken. Vader Rothkowitz werkte bij zijn broers in de textiel maar overleed 7 maanden na aankomst van zijn vrouw en Marko.
Het gezin moest op zoek naar werk om het hoofd boven water te kunnen houden. Dat lukte, iedereen kreeg werk en moeder begon een pension. Markus ging naar de Lincoln High School, hij haalde hoge cijfers en door de teken- en schilderlessen die hij daar volgde kwam hij er achter dat hij van de kunst zijn beroep wilde maken.
Hij was 17 toen hij van school kwam en zijn hoge cijfers gaven hem toegang, met een beurs, tot de Yale University.

Twee vrienden van Markus, ook van joodse afkomst, gingen aan dezelfde
zonder titel
1938 olieverf op doek 81.6x6.16 cm.
universiteit studeren. Gemakkelijk hadden de jonge mannen het aan deze overwegend rijke, blanke protestantse universiteit niet. Markus zette een studentenkrant op en schreef daarin regelmatig over de lesmethoden waar hij het niet mee eens was en verweet de universiteit zijn drang tot aanzien. Vanzelfsprekend werden zijn standpunten hem niet in dank afgenomen met het resultaat dat hij ondanks zijn hoge cijfers geen verlenging kreeg van zijn studiebeurs. 
Markus verliet de universiteit maar kwam 46 jaar later terug naar de Yale University om een eredoctoraat van de faculteit voor Beeldende Kunst in ontvangst te nemen.

(wordt vervolgd)